407 Hier haalde Luycks de mosterd vandaan

Voor een student voedingsmiddelentechnologie was stagelopen bij een campagne bedrijf gewoonweg het einde. Je kon veel geld verdienen en je kreeg best veel verantwoordelijkheid. Luycks in Diemen was in het verre verleden zo’n bedrijf waar je gewoon moest werken wilde je een prettige en onbezorgde zomervakantie kunnen betalen.

Zo herinner ik mij dat ik als studentje leiding moest geven aan een zogenaamde ‘vaste band’. Dit was een productielijn die de grote 10 kg emmers moest afvullen, toen veelal met de hand.  De fabriek produceerde voornamelijk augurken en zilveruitjes in glazen potten, piccallilly, mosterd en ook mayonaise en fritessaus in allerlei verpakkingen.

Op de vaste afvullijn werden alleen sausen afgevuld en het was een dagelijks slaapverwekkend en troosteloos ritueel met alleen maar vaste medewerkers. De productielijn was in de grote hal waar eerst lege 10kg emmers op een kettingband werden gezet, afgevuld, geëtiketteerd werden, voorzien van een deksel en vervolgens met twee tegelijk in een omdoos verpakt werden om tenslotte keurig in een vast patroon op een pallet gestapeld te worden.

 

Totdat een enthousiast studentje de boel wel even mocht gaan regelen. Dat heeft men geweten…

Het bijzondere van deze lijn was dat er alleen maar uitschot werkte die de bedrijfsleiding in 1973 maar al te graag aan een stagiair toevertrouwde. Zelden heeft het bedrijf zoveel pret beleefd aan deze lijn. Opeens bleken er heel andere medewerkers te werken waarvan zij van hun talenten geen flauw vermoeden hadden en de productierendementen schoten omhoog.

Graag stel ik enige medewerkers aan u voor, voor zover ik ze mij kan herinneren:

De eerste man die aan de lijn werkte heette Jopie. Ruim 40 jaar, met het uiterlijk en verstand van een kind en een ziekenfondsbril met een sterkte van -12 op zijn hoofd met erg ruim bemeten en vooral dikke glazen. Jopie was zo’n type die tijdens elk gesprek wel tien keer zijn loodzware bril op zijn neus omhoog moest schuiven. Als hij het ergens niet mee eens was begon hij meteen te huilen. Vreemde gewaarwording als je iemand die wel je vader had kunnen zijn opeens in tranen uitbreekt.

Het tweede persoon aan de lijn heette Nel. Nee, zij was niet zomaar een Nel maar zij werd ‘hete Nel’ genoemd. Nel was ruim in de 50, had hoog opgestoken spierwit geblondeerd haar en had een bewogen leven achter of beter gezegd over haar rug. Nel was een prostituee in ruste, een echte ‘ouwehoer’ zoals ze zelf zei. Zij nam mij altijd een beetje in bescherming vaak met geruststellende woorden als: luister niet naar hem hoor hij is een echte NSB-er. Nel was zeer kleurrijk in haar plat Amsterdamse uitdrukkingen. Vooral als zij boos was kon zij minuten lang schelden. Prachtig gewoon, wat een verrijking was dit voor mijn Nederlandse taal! Zij was dan een perfecte reïncarnatie van een dondergod! Nel haar taak was om de plastic emmers met de hand af te vullen. Gewoon met een eenvoudige handkraan rechtstreeks uit de druktank. Later meer over een bijzondere gebeurtenis met hete Nel.

Verder aan de lopende band zaten twee Joegoslavische dames die de etiketten op de emmers plakten en de deksels op de emmers legden en met een stuk hout vast op de rand timmerden. Nou ja dames? Zij waren maar met één doel naar Nederland gekomen en dat was om zo snel mogelijk een man te vinden. Toen kwam ik met een schok achter dat het niet altijd mannen waren die actief op de versiertoer waren.

De gevulde emmers werden in de dozen gedaan door Henk. Een erg simpel figuur die shagjes rokend altijd de politiek aan het oplossen was. Henk was een rasechte NSB-er. Hij kwam er recht voor uit en vond dat zijn geestgenoten ruim dertig jaar geleden het werk niet helemaal goed afgemaakt hadden terwijl hij met een vinger om zich heen wees. Buitenlanders konden niet werken, vrouwen waren lui, de Surinamers die er werkten noemde hij boomslapers. De verslaafden die er werkten noemde hij Vondelparkslapers. Voor hem was het werven van nieuwe tijdelijke werkkrachten een koud kunstje. Gewoon een boom leegschudden. Voor Henk was het altijd een compleet raadsel dat de fabriek goed kon draaien met al het tuig en vooral stagiaires die er rondliepen.

Aan het einde van de band stonden twee forse Surinamers van het eerste uur. Zij pakten de dozen die gevuld waren met de emmers op, gooiden die 25 kilo royaal door de lucht waarop de tweede man ze behendig opving. ‘Ja, voor de conditie WWWEEETJAAHHH’.  Je kon lezen en schrijven met die twee. Keiharde werkers.

Van alle personen die aan die lijn werkten kon niemand met elkaar opschieten. Iedereen had bonje met elkaar. Het was altijd een uiterst gecompliceerde ‘kool, wolf en de geit’ puzzel.

 

Op een mooie zomerdag waren we emmers met zigeunersaus af aan het vullen. Dit was een klonterig, ketchup–achtig product. Hete Nel was aan de leiding. Dat wil zeggen zij deed het meest belangrijke werk. Zij vulde de emmers als gebruikelijk hoogstpersoonlijk af. Vulgewichten werden nooit gecontroleerd want niemand durfde de integriteit van Nel in twijfel te trekken uit angst voor een scheldkannonade. Op een gegeven moment zag ik een Marokkaanse medewerker van de mengafdeling vanaf zijn bordes mij een grijnzende knipoog geven. Ik realiseerde mij niet dat hij mij wilde vertellen dat de tank met zigeunersaus eerder dan gebruikelijk bijna leeg was en dat de gebruikelijke stoot perslucht er achteraan zou komen. En Nel maar vrolijk emmers vullen met haar mooi, blond opgestoken haar. Hoofddeksels waren toen niet bepaald in de mode in de voedingsmiddelenindustrie. Voordat ik mij naar Nel kon haasten om haar te waarschuwen dat we leeg aan het draaien waren was ik reeds te laat. Er klonk een natte plof. De inhoud van de laatste volle emmer werd heftig over Nel heen geblazen. Ze zag er niet uit! Het zorgvuldig geblondeerde haar mooi rood geverfd en voorzien van allerlei groentestukjes. Haar boezeroen, was nog rijker gevuld dan dat die al was. Tomatenketchup op haar armen tot aan de oksels. Lachwekkend allemaal om te zien. Ik lag dubbel.  Oei, mijn eerste fout was al gemaakt. Nel sloot de kraan met een klap, trok het draadje stuk van haar schort en smeet die in een grote boog weg, keek mij vernietigend aan en haalde diep adem… Toen heb ik pas echt Amsterdams geleerd. Tjonge wat kon Nel tekeer gaan. Ze spoog vuur. Ze heeft wel een kwartier staan tieren en schelden zonder twee keer hetzelfde woord te gebruiken. Allerlei minder vrome heilwensen vlogen door de lucht in onvervalst Amsterdams accent. Hierop maakte ik mijn tweede fout en ik liep naar Nel toe met nog steeds een grijns op mijn gezicht. Toen richtte ze haar woede op mij en wenste mij de meest vreselijke kwalen en terminale ziektes toe.

Hierop heb ik Nel maar snel getroost en met mijn arm over haar schouder naar de kantine geleid en gezegd dat ze naar huis mocht gaan. Zo snel als ze kwaad kon worden, zo snel knapte zij weer op. In de gang mompelde ze bij toe met klef en rood hoofd:

Zo, IJsbrand, dat lucht wel effe lekker op hè, knulletje vamme?

One thought on “407 Hier haalde Luycks de mosterd vandaan

  1. Zeer herkenbaar. Ik heb in 1971 vanuit de Has in Den Bosch stage gelopen bij Luycks tijdens de augurken campagne. Leidinggeven op je 18e met idd een rijke schakering aan mensen Vooral de feesten met de heren Luycks in hotel de Kroon waren berucht. Een zeer leerzame tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *