1025 De sterren kok

‘Waarom noemen ze u een sterrenkok?’

Benny, zittend met zijn 2 meter postuur op een barkruk tussen zijn potten en pannen, moest wel even nadenken over deze introspectieve vraag. ‘Weet je, eigenlijk heb ik een hekel aan deze naam. Nadat die Franse bandenboer bij mij langs is geweest begon alle ellende.’

Een bijzonder natuurgebied

Benny, samen met zijn neef Klaas zijn de eigenaars van restaurant “In den blaauwen Jaeger” en bestieren samen al het eet- en drinkwerk. Een gezellige uitspanning, gelegen aan de rand van een natuurgebied, dat zo bijzonder is dat het verboden terrein is voor gewone stervelingen omdat de rood-geel gestreepte Madelief onmiddellijk zal uitsterven. De steltlopende Tureluur is het bekijken ook meer dan waard. Dat hebben knappe biologen vanachter hun baard naar de plaatselijke krant toe gemompeld.

Het toilet is de spiegel van de keuken. Ga een deur verder, luidt mijn advies.

Het toilet is de spiegel van de keuken. Ga een deur verder, luidt mijn advies.

De blèrende saus
Het restaurant is half gevuld met gasten en het begint al aardig hectisch te worden in de keuken. Benny, de rust zelve, draagt een koksbuis dat voor een leek het beste te vergelijken is als een soort priestergewaad dat tot boven toe is dichtgeknoopt en iets strakker om het lijf zit. Zijn muts torent hoog boven alles uit. Er staan inmiddels acht pannen op het vuur en de keuken begint zich snel te vullen met zware dampen. ‘Ik ruik een bederflucht Benny. Is die saus nog wel goed dat daar in de pan pruttelt?’ ‘Velzepruttel, die saus is een klein beetje over tijd en staat een beetje te rillen. Dan gooien we er wat zure room over die blèrende zooi en koken het effe op en dan kan het zo over het wild heen.

Wilde sauzen
’Wat voor wild serveer je zo?’Benny moest zwaar nadenken en zei vastberaden: ‘Ik serveer alles. Het is toch allemaal één pot nat. Reerug, hazepeper of tam konijn, of een of ander gevogelte het smaakt allemaal eender en je maakt het gewoon af met de Kwattakela saus weet je?’ Neef Klaas rende inmiddels naar het restaurant met acht borden op zijn linker arm gestapeld en Benny zette nog even zijn koksmuts wat scheef op zijn hoofd. ‘Zo, dit is de werkpositie van mijn muts, zie je? Zo kan Klaas zien dat ik straks mee kom helpen. ‘Wat voor vlees ligt daar in de pan te sudderen Benny?’ Ik begon al aardig trek te krijgen en wilde mijn culinair verstand wel een prikkelen. ‘Da’s geen vlees maar gevogelte, IJsvogel! Alleen weet ik niet meer welke soort nu op de kaart staat. ‘Klaas, wat voor een terrine zit er in de pan hier?’ Brulde hij naar het restaurant. Klaas liet drie borden vallen en antwoordde: ‘Dat moet je zelf maar invullen. Ik ben beeezig!’ Benny doopte zijn vinger in het kookvocht en snoof aan de onwelriekende dampen die vanaf zijn vingertopje omhoog stegen en mompelde. ‘Ik heb geen flauw idee maar het zal wel goed zijn. Volgens mij is het een Koeliwapper vogel.

Verrast door deze culinaire bekentenis trek ik de koelkast open waar blijkbaar het wild in bewaard wordt. Grote onverpakte stukken vlees worden zichtbaar, sommige beschimmeld en de andere bedekt met een glanzend laagje dat duidelijk maakt dat het tijdstip van veilige consumptie al voltooid verleden tijd is. ‘Wat is dit? Het lijkt wel allemaal bedorven!’ riep ik uit terwijl ik al richting spoelbak liep om over te geven. ‘Je stelt je wel een beetje aan hoor. Dit is allemaal edelwild en je weet toch dat wild goed moet besterven voordat het gegeten mag worden? Heb jij dat niet geleerd op dat schooltje van jou Wildeboer?’ ‘Ja maar dit is verrot vlees gewoon. De aldehyden en vluchtige basen voeren de boventoon in jouw gerechten.’ ‘Welnee zei Benny op kalmerende toon, een beetje sabayonsaus erover en je zit te smullen als een hongerige leeuw. ’Een Saba-wat saus?’ ‘Da’s gewoon wat opgeklopte gesuikerde eidooer met wat wijnzooi erdoor. Dat schuimt verschrikkelijk lekker. Wij noemen het kortweg sabbelaanmelulsaus.’

De alcoholist in het bos
‘Hoe komen jullie aan de naam den blaauwen jaeger?’ Vroeg ik afrondend. ‘Hoe komen wij aan de naam?’ Joelde Benny weer naar het restaurant waar Klaas met een dweil in de weer was. ‘Welke naam bedoel je? Jouw slechte naam, mijn goede naam, de naam van de boze klant die net zijn haren aan het kammen is?’ ‘In den blaauwen Jaeger!’ Brulde Benny beheerst de eetzaal in. Klaas kwam weer de keuken in gerend met een stuk ganzenlever in zijn nek en hijgde met twee opschep lepels in zijn mond: ‘Onze naam komt uit de jachtwereld. Die lui gaan altijd dronken naar huis. Kijk, daar hangt een Delfts blauwe tegeltje boven de deur, die vertelt je de rest wel.’Inderdaad, op het bruine tegeltje prijken de volgende wijze woorden:

‘Een jager is een alcoholist die door het bos de kortste weg naar zijn stamkroeg neemt!’